Aussies in hun biotoop

Waarneming van Australische platstaarten in hun natuurlijke omgeving

(wat leert dat ons voor in ons kweekhok?)

Voeding: eten vooral halfrijpe en rijpe graszaden. Sedert de komst van de Europeanen in Australië zijn er veel ingevoerde Europese soorten waardoor ze nu reeds veel Europese akkeronkruiden eten en de graanvelden teisteren. Vooral de rosella, port-Lincoln, Valk- en bergparkiet zijn de korenveldverwoesters. De roodcap daarentegen sloopt de eucalytusvruchten met zijn grote snavel.

De meeste soorten nemen ook bloemennectar, vruchten en insecten tot zich. De Swift voedt zich hoofdzakelijk met nectar uit de eucalyptusbloem (zoals de lori's) Veel andere parkieten nemen ook de eucalyptus onder handen. Vroeger aten ze ook meestal bessen. Toen de Europeanen aankwamen en hun boomgaarden aanplantten schakelden ze over naar voornamelijk appels en peren.

Bij onderzoek naar maag- en kropinhoud viel de aanwezigheid van veel insecten op, vooral blad- en bloeseminsecten en larven, geen vliegende! Alsook heel wat grof zand. Dit laatste zal wel bijgedragen hebben tot het verteren van het voedsel. Ook houtskool zit permanent in de krop (middel tegen diarree).

Kleine zaden worden ingeslikt, de grote worden gepeld met de zijkanten van de snavel. Ook de vruchten worden zo "gekauwd".

Water: bourke-, turquoisine-, Brown- en barraband parkieten drinken enkel 's morgens en 's avonds. De platycercussoorten, goudschouder en valkparkiet drinken om de drie uur.

Het zijn veelvuldige en duchtige baders op uitzondering van de bourke-parkiet. Bij regenweer zoeken ze de hoge toppen op om zich te laten natregenen.

Legsel: swift, splendid, paradijs- en brownparkiet leggen weinig eieren. De rosellasoorten, roodrug en geelbuik daarentegen zijn veelleggers. Tijdens de broedperiode houdt de man meestal vlak bij het nest de wacht. Barraband en bergparkiet daarentegen zitten ver van het nest verwijderd. De mannetjes voederen de pop meermaals per dag: de turquoisine slechts 's morgens en 's avonds.

Na de kweek leven ze meestal in grote groepen samen tot het einde van de droogte, maar de koppels blijven bijeen. Enkel de barnardiussoorten blijven steeds als koppel samen of dulden hoogstens nog één koppel bij zich.

Temperaturen: veel parkieten (grasparkiet, valk, bourke, princess of Wales) leven overdag bij 45° en 's nachts zelfs tot onder het vriespunt. Maar Brown, bleekkop rosella, paradijs- en goudschouderparkieten leven in streken waar dag- en nacht temperatuur nauwelijks verschillen. Ze worden dus het best gehouden in een verblijf met een verwarmde binnenruimte.

Onkruidzaden: halfrijpe onkruidzaden zoals vogelmuur, eenjarig pluimgras, herderstasje, wederik, paardenbloem, ganzendistel, kruisjeskruid en veldzuring. Melkachtige korenaren, halfrijpe maïs, worteltjes en verschillende vruchten (meestal appel, maar leren alle andere vruchten ook eten). Wilde vruchten zoals jeneverbes en lijsterbes zijn ook welkom.

Verse twijgen van fruitbomen, wilg, linde, beuk, hazelnoot verstrekken tijdens het voorjaar.

In het kweekhok moet een zeer eiwitrijke voeding gegeven worden tijdens de kweek, vooral met toevoeging van dierlijke eiwitten in de vorm van mierenlarven en/of meelwormen (maar niet alle soorten eten deze wormen)

G.Kerckhove


Bron:"Die australischen Plattschwelfsittiche" van Dr Klaus Immelman