Bleekkoprosella

De platycercus adscitus, vroeger ook de palliceps genaamd, komt voor in het ganse oostelijke gedeelte van Australië, van noord tot zuid. Er is ook een ondersoort: de plat.adsc. amathusiae of de blauwwang rosella. Kruisingen met rosella's ondereen komen vaak voor. Ze leven paarsgewijs of in kleine groepen bij voorkeur in open bossen .

De kleur van man en pop is gelijk. Keel, borst, buik, slagpennen en staart zijn hemelsblauw. De onderstaartveren zijn rood, de mantelveren zwart met gele randen. De vogels zijn zo'n 30-33cm groot. Ze hebben wel een harde roep.

Om de geslachten te bepalen dient men te kijken naar het verschil in kopvorm en naar de snavelgrootte. De pop heeft ook een kleinere zwarte schoudervlek. Overjarige poppen (en jongen) bezitten een vleugelstreep op de onderzijde van de vleugels.

Let bij aanschaf op de lichte blauwe buik. Donkere wangen en donkerblauwe buik verraden aanwezigheid van de blauwwang rosella.

De vogels eten een goede mengeling voor grote parkieten en versmaden een stukje fruit ook niet. Vergeet niet om ook grit, maagkiezel en eivoer te geven. Hierin kan tijdens de kweek kiemzaad en insecten toegevoegd worden.

Ze zijn winterhard, maar een tocht- en vorstvrij hoekje is wel aan te raden.

In februari reeds begint de pop de nestkast te inspecteren. Zodoende kunnen ze gemakkelijk twee nesten per jaar opkweken.

Ze leggen 4-6 eieren die ze gedurende 20 dagen bebroeden. Na 4 weken vliegen ze uit en na 12 maand zijn ze geslachtsrijp.

Ze houden van een nestkast met een laagje molm of teelaarde met houtkrullen. De pop knaagt eerst de houtkrullen en schikt het nest voor ze legt.

Ze worden soms als pleegouders voor andere soorten ingeschakeld.

Jonge vogels wennen vlug aan de mens en worden heel aanhankelijk.



foto: J Geurts