Stanley rosella

De platycercus icterotis komt voor in het natste deel van zuid en zuidwest Australië. Er zijn twee soorten: de oostelijke en de westelijke. Ze verblijven veel in de omgeving van de mens en richten veel schade aan. Zodoende mogen ze het ganse jaar afgeschoten worden.

 Er is een wezenlijk verschil bij deze kleine (27cm) rosellasoort tussen man en pop, niet alleen in kopvorm (zoals andere rosella's) maar ook de fletsere kleur en de kleine gele wangvlek van de pop.

Ze leven van een goede zaadmengeling met onkruidzaden en vruchten. Als er jongen zijn dan is het geraadzaam om ook dierlijke eiwitten toe te dienen (insecten - universeelvoer, meelwormen). Fris bad- en drinkwater mogen uiteraard niet ontbreken evenals maagkiezel en grit.

Het zijn rustige volièrevogels die zelfs zo tam kunnen worden dat ze uit de hand komen eten. Buiten de kweek mogen er gerust kleine zangvogels bij geplaatst worden.

Ze gedijen wonderwel in ons klimaat.

Als kooi hebben ze toch een vlucht van 2m van doen, het liefst met een nachthok.

Ze leggen 4-6 eieren per nest en broeden 20-21 dagen. Na 5 weken verlaten de jongen het nest kort daarna begint de eerste jeugdrui.

Om te kweken wacht men het best tot ze 18maanden oud zijn.

Als nestblok volstaat een 50x18x18 met daarin wat vochtige houtkrullen en molm. Jongen worden geringd op de dag dat de ogen opengaan met een ring van 5,4mm