Mutaties

Vogels (en dieren) zijn meestal aangepast aan de omgeving waarin ze leven, zodat ze beschut zijn en niet opvallen. Dit is van levensbelang om te ontsnappen aan hun natuurlijke vijanden ( predatoren ) maar toch worden regelmatig kleurafwijkende dieren of vogels geboren. Dit kan o.a. in functie zijn van veranderende leefomstandigheden (boskap,..) waardoor die afwijking eerder een vorm van overleving is om de populatie te redden. Maar meestal zijn ze vooral zinloos en bieden ze weinig bescherming en vallen ze eerder ten prooi aan hun predatoren.

In de volière of kooi is dat een heel ander verhaal. Schutkleur of niet, dit maakt niks uit in dit beschermd wereldje. Meestal wordt een afwijkend geboren dier of vogel vooral door de kweker als speciaal aanzien en wordt deze mutant vaak de peetvader van een poging om zoveel mogelijk mutanten te kweken (en is portemonnee-vullend). Er zijn zelfs kweek strategieën uitgeschreven om zoveel mogelijk goede, sterke mutanten te kweken en de eigenschap vast te zetten, soms ook met naastliggende negatieve vastgezette eigenschappen. Die strategieën zijn onder ander uitgeschreven in de lijnenteelt, familieteelt, trettersysteem (zie elders op mijn site). 

Een strenge selectie dringt zich op om van een mutatie een sterke stam te kweken. Soms wordt hierbij de broedzorg over het hoofd gezien. Geen broedzorg levert ook geen jongen, tenzij via pleegouders en dat moeten we zoveel mogelijk vermijden.

Eenmaal er mutaties zijn, worden deze ook gecombineerd en zo'n combinatie zet weer verschillende mutaties in gang, andere varianten ontstaan en de mogelijkheden worden steeds verder uitgebreid. We kunnen dus steeds nieuwe varianten verwachten het lijkt wel onuitputtelijk. Het is voor sommige soorten zelfs al moeilijk om aan goede wildkleuren te geraken, want meestal zijn die dan ook ergens in de verste verte drager van een of andere mutatie. Bepaalde mensen hebben zich gegroepeerd om terug te grijpen naar de kweek van de wildvorm. Hierbij denk ik aan de kweekgroep van de "bush-budgies" die de echte groene grasparkiet beogen en willen herwaarderen.

Om nu tot stamvorming (uitbreiding en vastzetten van een mutatie) over te gaan moeten we wel de wetten van Mendel toepassen: de erfelijkheidsleer. Mutaties vererven niet allen op dezelfde manier de meest voorkomende zijn de autosomale dominante manier, waarvan 1 variant voldoende is om bij de jongen de helft mutanten te hebben, zowel man als pop. De autosomaal recessieve manier vereist dat beide oudervogels drager zijn van de mutatie, zichtbaar of onzichtbaar aanwezig. Dan verschijnt wel een variant in het nest. Nog een van de meest voorkomende is de geslachtsgebonden recessieve vererving, hierbij geeft de vader zijn eigenschap door aan jonge poppen (als de moeder een andere kleur heeft dan de vader). Verder zijn er nog een aantal andere verervingsmanieren zoals b.v. de intermediaire, minder interessant zijn die met een lethaalfactor (dodelijk of lichamelijke afwijking). Er zijn dominante met een enkel of dubbelfacor. Zo denk je dat je op de duur meer wetenschapper dan vogelhouder bent. Gelukkig zijn er op het internet hulpmiddelen te vinden om verervingen uit te zoeken en te bepalen zoals b.v. gencalc.com

De meest gekende mutaties zijn meestal de kleurmutaties met de ino's, bontvorming, opbleking, opalines, donker-factoren als meest gekende en meest voorkomende. Er zijn ook in de vederstructuur ook gekende mutanten, denk maar aan de kuifvorm en de hogoromo (helikopterparkiet). Bij de postuurkanaries krijg je mutanten in andere lichaamsbouw denk b.v. maar aan de Belgische bult (7-vorm met knik in de nek) en de Japan hoso (C-vorm).

Er zijn natuurlijk pro' en contra's, maar elk maakt dat het liefst voor zichzelf uit. De ene zweert bij mutanten, de andere bij wildkleur. Men kwweekt toch best met hetgeen men het liefst ziet. Dit houdt men langer en beter vol. Maar het valt op dat geslaagde kleur- mutanten vlug veel aanhangers tellen. Maar men houdt het best in de gaten dat men regelmatig eens opnieuw een wildkleur inschakelt om formaat, broedzorg en dies meer op peil te houden en de mutanten sterker te maken. Dus zou bij elke mutant kweker ook een stel wildkleur moeten te vinden zijn. Om aldus splits te kweken en weer met mutatie te koppelen.


Vooraleer een nieuwe mutant op een tentoonstelling aanvaard en gekeurd kan worden gaat men niet over één-nacht-ijs. De speciaalclubs buigen zich hierover: hij wordt uitgetest en gepromoot via een kweekrichtlijn (hoe verondersteld wordt dat hij er het best uitziet) om dan uiteindelijk na een paar jaar in de eindfase te komen en er een standaard opgemaakt wordt. Hierin staat duidelijk hoe elk onderdeel (kop, wang, rug, borst, flank, buik, stuit, staart, schouders, vleugels,..) er qua kleur en bestreping moet uitzien. Ook de kleur van hoorndelen, ogen en poten moeten aan de norm voldoen.


Door de vele mogelijkheden met mutaties zijn we nog wel enkele jaren goed. Dit motiveert dus om verder van deze prachtige hobby te blijven genieten.




foto 1: wildkleur (met een opaline op de achtergrond)

 foto2: opaline 

 foto 3: lutino 

 foto 4: combinatie van opaline met lutino: de rubino (en een opaline)